De oorlog in Soedan is geen burgeroorlog, het is een business model
De oorlog in Soedan wordt vaak beschreven als een burgeroorlog tussen twee generaals, maar is volgens deze analyse vooral een machtsstrijd over natuurlijke hulpbronnen waarin Europa en externe actoren diep verweven zijn. Het stuk schetst hoe koloniale structuren en internationale betrokkenheid het conflict hebben mogelijk gemaakt.
Opnieuw worden mensen in Soedan vermoord en opnieuw staat de regio Darfoer in het centrum van het geweld. De oorlog in Soedan wordt meestal beschreven als een burgeroorlog tussen twee rivaliserende generaals. Die omschrijving is niet onjuist, maar wel onvolledig. Ze verhult de historische en internationale krachten die het conflict mogelijk maakten.
Een kleine machtselite met monopolies op natuurlijke hulpbronnen voert onderling strijd. Twee strijdende generaals staan centraal in deze machtsstrijd: Al-Burhan leidt de Sudanese Armed Forces (SAF) en Dagalo de Rapid Support Force (RSF). Noch de SAF noch de RSF stelt de bescherming van burgers centraal. Sinds april 2023 zijn meer dan 150.000 mensen omgekomen, rond de 14 miljoen ontheemd en bijna 30 miljoen door honger getroffen.
Na iedere nieuwe geweldsgolf in Soedan volgt in Europa een voorspelbaar patroon: korte verontwaardiging, gevolgd door stilzwijgen. De oorlog wordt vervolgens omschreven als een complexe strijd tussen twee generaals of als een intern Soedanees probleem, ver van ons bed. Daarmee verdwijnen de historische en internationale dimensies van het conflict uit beeld. Juist die blik maakt het mogelijk om de oorlog te behandelen als een tragedie waar buitenstaanders weinig mee te maken hebben, terwijl externe machten al meer dan een eeuw een rol spelen in de politieke en economische ontwikkeling van Soedan.
Het geweld mag niet worden gereduceerd tot een vete tussen twee ruziemakende generaals… De oorzaken zijn structureel-historisch, en Europa en de Arabische wereld draagt er mede schuld aan Beide zouden zich dus intensiever moeten bemoeien met het beëindigen van de oorlog.
De Janjaweed-militie van Darfoer, ingezet door al-Bashir en verantwoordelijk voor de genocide op het Masalit-volk in 2003, vormde de basis voor de huidige RSF. Een belangrijke Janjaweed-commandant van toen is de huidige RSF leider Dagalo. De Janjaweed maakten al in 2003 gebruik van racistische verhalen waarbij niet-Arabische mensen als slaven werden bestempeld. Soedan kent daarvoor een kleurschema: ben je zwart, dan wordt je 'slaaf' betiteld – 'abid' in het Arabisch. Ben je iets lichter van kleur, dan ben je een Arabier en moslim. De conflictlijnen tussen groepen die zichzelf als Arabisch of niet-Arabisch definiëren, zijn sindsdien nooit uit Soedan verdwenen.
In de RSF-misdaden van 2025 keren dezelfde bewoordingen terug. Eind januari berichtte Reuters nog over slavernij van kinderen door de RSF. Het is een continuïteit die tot ver in de koloniale tijd reikt. Die continuïteit begint bij de Ottomaans-Egyptische verovering van het huidige Soedan in de jaren 1820. Door die verovering werden afzonderlijke koninkrijken en sultanaten voor het eerst als samenhangend geheel gevormd tot Soedan. De Egyptische veroveraars baatten de goudvoorraden uit en intensiveerden de slavenhandel. Vooral mensen uit de periferie werden het slachtoffer.
Met het graven van het Suezkanaal in 1869 vestigde Europa haar koloniale en economische hegemonie. Toen Egypte door financiële problemen verzwakte, namen de Britten in 1882 de leiding over. Als Anglo-Egyptisch Condominium lijfde het Britse Rijk Soedan de facto in als kolonie. Daarin had je, grof gezegd, vier 'kasten': bovenaan natuurlijk de witte Britten, daaronder de Egyptenaren, daaronder de 'Arabische stammen' en de verschoppelingen waren de 'Afrikaanse stammen'.